Uitgelicht

Geluk en schuldgevoel

‘Genoeg over mij, hoe gaat het met jou?’ Samen met mijn vriendin ben ik aan het uitwaaien op het strand. Er gebeurt van alles in haar leven, waar we het uitvoerig over hebben gehad. Nu zij de aandacht echter op mij vestigt, weet ik niet zo goed wat ik moet zeggen. ‘Goed,’ antwoord ik. Punt. Het voelt op de een of andere manier niet oké om er uitgebreid bij stil te staan dat het eigenlijk heel goed met mij gaat. Ik probeer daarom nog wel iets te bedenken waarmee ik aan dat goed nog een draai kan geven, maar het blijft bij een stilte. 

We wandelen verder, terwijl allerlei andere onderwerpen de revue passeren. Ik ben er alleen niet helemaal bij met mijn hoofd. Mijn antwoord van zojuist zit me dwars. Hoezo goed, punt? Alsof goed iets beschamends is. Waarom moet ik er voor mijn gevoel maar niet te veel over zeggen, er niet te lang bij stilstaan? Waarom vind ik dat ik naar iets moet zoeken om dat goede af te zwakken?

Het antwoord komt even later ongevraagd van mijn vriendin. ‘Ik vind het echt heerlijk, dit! Ik zou er zo aan kunnen wennen,’ zegt ze. En meteen erachteraan: ‘Daar voel ik me wel schuldig over, naar mijn dochter toe, dat ik ervan geniet om het weekend voor mezelf te hebben.’

Dat is het dus. Schuldgevoel. We gunnen het onszelf niet om gewoon gelukkig te zijn. We vullen het automatisch aan met een verontschuldiging. Omdat we kennelijk vinden dat het eigenlijk niet mag, zomaar gelukkig zijn. Of, als het wel mag, dan is het in elk geval wachten op het moment dat het misgaat. Immers, er zijn geen rozen zonder doornen. Je moet de dag niet prijzen voordat het avond wordt.

Nu het kwartje is gevallen, bedenk ik me dat het zich niet beperkt tot het korte antwoord op de vraag ‘hoe gaat het met jou?’ Ik zie het mezelf ook doen in allerlei andere situaties, wanneer ik mensen vertel over dingen die me blij maken. Altijd nog een negatieve twist verzinnen, omdat ik me schuldig voel voor mijn geluk. Een maar die ik achter mijn pleziertjes kan plakken, om ze af te zwakken. Omdat ik het bijna gênant vind tegenover mijn gesprekspartner om te vertellen hoe goed het gaat, hoe goed ik me voel. Vooral wanneer die ander even in een iets mindere periode zit. Eigenlijk ben ik dan dus niet echt, wil ik dan mezelf blijkbaar niet helemaal laten zien.

We kijken er niet raar van op dat we niet gelukkig zijn, maar vinden daarentegen geluk zó bijzonder, dat het ofwel gepaard moet gaan van schuldgevoel, ofwel dat het slechts kortstondig mag en kan zijn. Dat hebben we te wijten aan onze opvoeding, onze cultuur, onze religieuze achtergrond. Boetedoening om niets.

Best raar, als je erover nadenkt. Een kind dat nog in al zijn onschuld en verwondering in het leven staat, heeft plezier in de dingen die het doet. Als het blij is, staat het er toch ook niet bij stil dat het eigenlijk niet kan, zomaar gelukkig zijn? Dat komt omdat gelukkig zijn onze natuurlijke staat is en een kind nog niet beïnvloed is door verwachtingen en percepties. Of, zoals Mo Gawdat schrijft in zijn bestseller ‘De logica van geluk’: geluk is onze standaard fabrieksinstelling. We hebben dan ook helemaal geen reden om ons er schuldig over te voelen.

Sterker nog, als we gelukkig zijn, zouden we dat van de daken moeten schreeuwen. Die positieve energie, die zouden we moeten delen. We zouden het juist wél moeten hebben over de dingen die ons blij maken. Want volgens de wet van de aantrekkingskracht, vermenigvuldigt die energie zich op het moment dat we er dankbaar voor zijn, het waarderen, het delen. Elke keer dat ik dus een maar verzin of ‘goed, punt’ antwoord, doe ik niet alleen mijzelf tekort, maar ergens ook de ander.

Vanaf nu neem ik me daarom voor om zo oprecht mogelijk te reageren, als iemand mij vraagt hoe het met mij gaat. En onbekommerd te genieten van het goede dat me overkomt. Geen schuldgevoel. Goed, punt, wordt goed, want … Geluk moet je immers delen. 

Uitgelicht

Wat aandacht krijgt groeit

Ik heb geen groene vingers. Als ik in de tuin aan de slag ga, is dat óf omdat het onkruid dusdanige vormen heeft aangenomen dat zelfs ik er niet meer overheen kan kijken óf omdat ik in de lente geïnspireerd raak door de fleurige tuinen van mijn buren en ik dan toch maar een ritje naar het tuincentrum maak. Afgelopen voorjaar kocht ik er een klein rozenboompje. Ik deed hem in een mooie pot, voorzag hem van speciale rozen-potgrond, voegde er rozen-voeding aan toe en gaf hem elke dag veel water. Hij deed het goed, fier rechtop, gezonde, diepgroene bladeren, sterke knoppen en geurige donkerrode rozen. 

Na een week of twee verslapte mijn aandacht voor het boompje en het bewateren ervan en liet ik het over aan de natuur. Dat was niet zo slim. Het werd een rete hete zomer en bovendien vangen planten in potten sowieso minder water op dan planten die gewoon in de grond staan. Als het al regende, was het boompje nog steeds dorstig. Het was daarom geen verrassing dat hij, toen we terugkeerden van vakantie, alleen nog bestond uit dorre blaadjes en verlepte bloemknoppen.

Geïnspireerd door mijn zus, die niet zo heel lang daarvoor een doodziek rozenstruikje weer tot leven had gewekt met liefde en aandacht, nam ik me voor hetzelfde te doen met mijn boompje. Ik gaf hem elke dag een paar keer een flinke scheut water en overlaadde hem met lieve woorden (je weet maar nooit). Voor ik het wist werden de lelijke, dorre delen vervangen door verse, sterke, knalgroene blaadjes en nieuwe, diep donkerrode knoppen. Het duurde niet lang of hij was volledig hersteld. En ook niet tot mijn aandacht vervolgens weer verslapte en de bruine blaadjes wederom de overhand kregen. 

Op een ochtend staarde ik onder het genot van een dampende kop koffie naar mijn verdorde rozenboom. Ik was aan pauze toe, want ik was de halve ochtend weer eens druk bezig geweest mezelf te overtuigen waarom ik niet goed genoeg was om te doen wat ik wilde doen. Ik staarde naar het boompje en dacht: alles wat aandacht krijgt, groeit. Het is een open deur. Ik had het al in talloze artikelen in Happinez magazine gelezen, in de film van The Secret gezien, ik had de boodschap in zelfhulpboeken voorbij zien komen. Maar nu pas, nu ik besefte wat mijn aandacht met het boompje had gedaan, was het me helderder dan ooit. 

Wat aandacht krijgt groeit. Zo simpel is het. En in al zijn simpelheid was het voor mij het beste inzicht van het afgelopen jaar. Of hetgeen dat aandacht krijgt nou positief of negatief is doet er namelijk niet toe, aandacht betekent groei. Dat is heel fijn als het om prettige dingen gaat, om fijne emoties, gedachten of situaties. Het geldt echter net zo goed voor negatieve gedachten, gevoelens of situaties en dan ben je af. Wanneer je steeds bij het negatieve stil staat, er alsmaar aandacht aan geeft, dan groeit het. Dan gaat het je beheersen. Zolang je steeds maar weer iets oprakelt, iets benoemt, iets onder de aandacht brengt of bevestigt, positief of negatief, wordt het alleen maar groter. 

Dat betekent tevens dat het tegenovergestelde ook waar is: wat verwaarloosd wordt, verlept! Als je dat doet bij zaken waar je blij van wordt, doe je jezelf tekort. Maar als je dat doet bij dingen die je in de weg zitten, geef je ze geen reden tot bloei! Van dit inzicht werd ik met name blij. Want het was de oplossing voor een hele hoop beperkende gedachten die ik had (je kan het niet, je bent lang niet goed genoeg, je kunt het beter aan anderen overlaten), waardoor ik niet deed wat ik wilde doen. Dingen zijn leuk of dingen zijn kut. Hoe meer aandacht je aan de leuke dingen schenkt, hoe groter de impact ervan. En hoe minder aandacht je aan vervelende dingen schenkt, hoe kleiner de impact. 

Koester dus het goede en fijne als een rozenboompje dat door aandacht en water groeit en bloeit. En verwaarloos het nare zoals het rozenboompje dat vergeten in een hoek van de tuin alleen nog maar bestaat uit dorre bladeren en levenloze knoppen. Met die gedachte in het hoofd en een grote glimlach op mijn lippen nam ik nog een slok koffie en stortte ik me op hetgeen ik steeds maar had uitgesteld.

Uitgelicht

Het cliché

Het beeld trof me als een mokerslag. Schuin tegenover me in de metro zat een jonge vrouw met op haar schoot een ietwat beweeglijk kindje. Het zal een jaar of twee zijn geweest. Met zijn vingers verkende hij de moeren in de kozijnen rondom het raam, alsof ze iets wonderlijks waren dat hij nog nooit eerder had gezien. De ene na de andere, kijken, voelen, duwen, zijn moeder met een glimlach wijzend op zijn ontdekking van de dag. 

Even later vleide hij zich tegen haar aan, liefdevol zijn kleine handje op haar hals, zijn krullenbol tegen haar borst. Heel even leek de lucht weggezogen te worden. Druk op mijn borst, een brok in mijn keel. De drang om haar aan te spreken, haar op het hart te drukken dat ze er met volle teugen van moet genieten, nu het nog kan. Dat ze elke verwondering, elke glimlach, elke kus, elke knuffel, elk woord en elke seconde zo bewust mogelijk moet meemaken, nu zij nog het middelpunt van zijn bestaan is. Dat het cliché geen cliché is: de tijd vliegt écht voorbij, voor je het weet… 

Maar ik zei niets, het zou aan dovemansoren gericht zijn. Een goed bedoeld advies van een vreemdeling, ontvangen met een glimlach, later wellicht onderwerp van gesprek (wat mij nou toch in de metro overkwam vanmorgen!), maar haar ene oor in en andere oor uit. Zo was ik zelf immers ook geweest. 

Mijn vader heeft het mij keer op keer op het hart gedrukt: ‘Je moet van je kinderen genieten, elke dag weer. Voor je het weet zijn ze volwassen. De tijd vliegt voorbij.’ Ja ja, dacht ik dan. Ik bedoel, ik begreep wel waarom híj dat zei. Terwijl mijn broers en ik in Nederland opgroeiden zat hij in Mexico. Hij zag ons misschien een paar weken per jaar, elke keer weer een stuk groter dan het jaar ervoor. Voor hem ging het ook daadwerkelijk met sprongen. 

Bij mij was het natuurlijk anders, ik zag mijn kinderen elke dag. En ik genoot van ze. Maar ik moest ook werken. Het huishouden draaien. Voor ze zorgen. Alle ballen in de lucht houden. En de tijd ging echt niet zó snel, ik was er zelf bij. Sterker nog, het zou juist fijn zijn als ze ietsje zelfstandiger zouden zijn, mij iets meer ruimte gunden. Dus als ik weer advies kreeg, van hem of mijn oma of wie dan ook, glimlachte ik vriendelijk en zei ik: ‘ja, natuurlijk!’ Maar ik dacht: ‘yeah right’. Had ik het even mis. De tijd vliegt niet. De tijd raast. 

Kinderlijke onschuld

Bovenaan de trap hangt een grote portretfoto van mijn jongens: o zo klein nog, speels en ondeugend, hun karakters in hun ogen te lezen. Vertederd kijk ik ernaar, elke keer dat ik er voorbij loop. Ik kijk ernaar en ik denk terug aan de tijd dat ik hun alles was. Dat ze het liefst de hele dag om mijn nek hingen, zelfs als het zo heet was dat de mussen van het dak vielen. Dat ze me overal achterna liepen, om maar in mijn buurt te zijn. Dat ze geborgenheid zochten op mijn schoot als ze verdrietig waren. Dat niets ze gelukkiger maakte dan bij mij zijn. Had ik al die gebaren maar op waarde geschat toen het nog kon. Naar de wijze woorden van mijn vader geluisterd. Hij had gelijk, die tijd is voorbij gevlogen en komt nooit meer terug. 

Mijn jongens zijn nu 14 en bijna 17. De oudste heeft al een bijbaantje en staat te popelen om binnenkort een keer een nachtje alleen thuis te mogen blijven. Over het algemeen vegeteren ze op hun kamers, of zijn ze buiten met vrienden en laten ze zich alleen zien als ze trek hebben of iets van ons gedaan willen krijgen. Soms, als ze er zin in hebben, voeren we een leuk gesprek en in heel uitzonderlijke gevallen doen we samen een spelletje. Maar meestal zijn wij ouders meer een last dan een lust en is tijd met ons doorbrengen een offer.

In de zeldzame gevallen dat ik dus tegenwoordig een knuffel krijg, zo’n welgemeende, stevige kroel, zomaar uit het niets, geniet ik er met volle teugen van. Zie ik het als een onverwacht cadeautje. Want juist nu hun wereld uit allemaal andere belangrijke mensen bestaat, laat zo’n gemeende knuffel mijn hart gloeien. En ondertussen verkondig ik het cliché en vertel ik aan iedereen die het wil horen – en niet wil horen: geniet nu het nog kan, want de tijd vliegt en voor je het weet zijn ze groot.

Uitgelicht

Beproeving

Ik luister naar het geruststellende, zalvende stemgeluid van Deepak Chopra, mijn ogen gesloten, mijn lichaam in rust. Zelfs als de boodschap die hij verkondigt totale bullshit zou zijn, zou het lastig zijn er niet in te geloven. Bijzonder hoe een stemgeluid zoveel wijsheid kan uitstralen. 

Vijftien dagen geleden ben ik eraan begonnen: The 21 days of Abundance meditation. Ik ben op dag dertien, want halverwege de eerste week heb ik wat hiccups gehad, omdat ik me nogal makkelijk liet afleiden door van alles en nog wat dat moest gebeuren. Maar nu ben ik op dreef. En dus luister ik naar zijn wijze woorden. De simpele en welbeschouwd logische uitleg van hoe het universum je helpt in overvloed te leven. 

Als ik klaar ben met mediteren leg ik de focus nog een keer op het centrale thema van vandaag: ‘As I let go of the need to arrange my life, the universe brings abundant good to me’. Ik voel me licht en wederom bevestigd in de gedachte dat het inderdaad zo werkt, het universum is er voor jou, als je het toelaat. 

Maar dan slaat de realiteit van vandaag weer aan alle kanten toe. De wereld is in crisis. Mensen verdeeld in degenen die angstig zijn en anderen die juist bagatelliseren. Mensen die tegenover elkaar staan omdat de een de situatie ernstig neemt en vindt dat hij de verantwoordelijkheid moet nemen en de ander, die vindt dat het een zoveelste complot betreft van overheden en pharma industrie om ons klein te houden en vaccins op de dringen. Hoe valt dat te rijmen met de boodschap van een universum dat voor ons werkt? 

Zelf snotter ik en moet ik bovengemiddeld vaak niezen. Dit is geen allergie meer, het zat eraan te komen. Even laat ik me overmannen door angst, als ik me focus op mijn ademhaling en luister naar het gepiep dat ik zo even dacht te horen en te voelen. Wat nou als ik straks echt kortademig word? Maar dan neemt mijn vertrouwen het weer over. Ik ben ‘jong’, ik ben fit, we eten gezond: ik ben verkouden. Misschien zijn het wel lichte verschijnselen van corona, in dat geval: prima, dan heb ik het maar gehad. 

Terug dus naar Deepak. Dat de wereld nu bij wijze van spreken in brand staat, bedenk ik me, is misschien juist het geschenk van het universum aan de mensheid. Gisteren verschenen op het nieuws radarbeelden van afgenomen stikstofgehalte boven Italië, China, zelfs een beetje Nederland. Vanmorgen zag ik beelden op Twitter voorbijkomen: Venetië heeft voor het eerst in zestig jaar helder water door de kanalen lopen. Er zijn weer vissen en zwanen gespot en zelfs hier en daar een dolfijn! En dat terwijl Italië pas tien dagen op slot zit. Tien dagen van mensen die binnen moeten blijven en dus geen lucht vervuilen met uitlaatgassen, geen straten volgooien met afval, de kanalen niet bevaren met eindeloze aantallen gondola’s met bijbehorende shit die onbeschofte toeristen het water in flikkeren. Tien dagen is de mens beperkt en de natuur neemt het weer over.

De natuur is onoverwinnelijk. Ik heb me er al eens eerder over verbaasd. Bijvoorbeeld toen ik vorig jaar in Rome tussen de ruïnes liep van wat vroeger het kloppend hart van een immens keizerrijk was. Overal, echt overal zag ik onder, boven, tussen al die stenen die ooit machtige gebouwen waren, begroeiing. Planten die hun weg vonden over stenen die er ooit door mensenhanden waren neergezet. Planten dus. Op steen. 

Wij vinden onszelf oppermachtig, omdat we het vermogen hebben om te denken, te ontwikkelen, te verbeteren, uit te vinden, elke keer opnieuw. Wij zijn niet oppermachtig. De natuur is oppermachtig. Dat laat Venetië maar al te goed zien. Niemand weet hoe lang dit nog gaat duren. Maar dat het effect zal hebben (en al heeft!) op het leven zoals we dat tot nu toe gekend hebben is een ding dat zeker is. Al is het alleen al omdat we in een surreële situatie zitten die we ons een paar weken geleden niet eens hadden kunnen voorstellen.

Wellicht is dit wel de beproeving van onze generatie. Onze (over)grootouders hebben oorlog gekend. Dood en verderf, schaarste, honger, echte gefundeerde angst, wantrouwen in een ieder omdat dát het verschil kon maken tussen leven en dood. Wat hebben wij nou helemaal meegemaakt? Oké, elf september was wel een serieus en angstig en ingrijpend iets. En toch heeft het ons dagelijks leven híer niet ingrijpend beïnvloed. Laten we eerlijk zijn. Wij hebben tot nu toe fluitend door het leven kunnen gaan en worden ineens geconfronteerd met steeds verdergaande beperkingen in onze bewegingsvrijheid en onze mogelijkheden. Als dit onze beproeving is, dan teken ik ervoor. En net zoals dat met de heldere kanalen van Venetië is gegaan heb ik er alle vertrouwen in dat het uiteindelijk ook met ons goed zal komen. 

 

Mark of Existence

Taat #2
Mixed media on canvas
50 x 60
SOLD

A trace remains — subtle, yet unmistakable.

Like a fingerprint, the surface holds the imprint of movement and presence. Lines gather and curve, revealing the gesture that shaped them.

What emerges is not fixed, but formed over time — a quiet record of becoming. Each mark suggests both identity and change, a reminder that existence leaves its traces, even in stillness.escription of work}

Heart of Defiance

Taat #21
Mixed media
100 x 120 / 4,5
SOLD

At its core, red burns — fierce, unwavering, alive.
It endures. It resists.

This work speaks of inner strength under pressure — of a spirit that refuses to yield in the face of darkness. The tension between stillness and force, concealment and eruption, gives Heart of Defiance its charge: a quiet, enduring act of resistance.

Shown in an interior setting for scale

The Soft Shift

The Soft Shift

Taat #20
Mixed media
100 x 100 / 4,5
€ 995,-

A quiet transformation unfolds beneath the surface.

What first appears solid and impenetrable begins to loosen from within, while subtle traces of light find their way through the weight. 

A reminder that even in stillness, something shifts… and that what feels heavy is not permanent.

Shown in an interior setting for scale

Currents of the Soul

Taat #10
Mixed media
60 x 60 / 2
SOLD

Currents of the Soul evokes layered textures through which an inner ocean unfolds.

Each groove, relief, and shadow suggests a current of memory or longing — an invisible movement that runs through the soul and continually reshapes it.

Shown in Interior