Het cliché

Het beeld trof me als een mokerslag. Schuin tegenover me in de metro zat een jonge vrouw met op haar schoot een ietwat beweeglijk kindje. Het zal een jaar of twee zijn geweest. Met zijn vingers verkende hij de moeren in de kozijnen rondom het raam, alsof ze iets wonderlijks waren dat hij nog nooit eerder had gezien. De ene na de andere, kijken, voelen, duwen, zijn moeder met een glimlach wijzend op zijn ontdekking van de dag. 

Even later vleide hij zich tegen haar aan, liefdevol zijn kleine handje op haar hals, zijn krullenbol tegen haar borst. Heel even leek de lucht weggezogen te worden. Druk op mijn borst, een brok in mijn keel. De drang om haar aan te spreken, haar op het hart te drukken dat ze er met volle teugen van moet genieten, nu het nog kan. Dat ze elke verwondering, elke glimlach, elke kus, elke knuffel, elk woord en elke seconde zo bewust mogelijk moet meemaken, nu zij nog het middelpunt van zijn bestaan is. Dat het cliché geen cliché is: de tijd vliegt écht voorbij, voor je het weet… 

Maar ik zei niets, het zou aan dovemansoren gericht zijn. Een goed bedoeld advies van een vreemdeling, ontvangen met een glimlach, later wellicht onderwerp van gesprek (wat mij nou toch in de metro overkwam vanmorgen!), maar haar ene oor in en andere oor uit. Zo was ik zelf immers ook geweest. 

Mijn vader heeft het mij keer op keer op het hart gedrukt: ‘Je moet van je kinderen genieten, elke dag weer. Voor je het weet zijn ze volwassen. De tijd vliegt voorbij.’ Ja ja, dacht ik dan. Ik bedoel, ik begreep wel waarom híj dat zei. Terwijl mijn broers en ik in Nederland opgroeiden zat hij in Mexico. Hij zag ons misschien een paar weken per jaar, elke keer weer een stuk groter dan het jaar ervoor. Voor hem ging het ook daadwerkelijk met sprongen. 

Bij mij was het natuurlijk anders, ik zag mijn kinderen elke dag. En ik genoot van ze. Maar ik moest ook werken. Het huishouden draaien. Voor ze zorgen. Alle ballen in de lucht houden. En de tijd ging echt niet zó snel, ik was er zelf bij. Sterker nog, het zou juist fijn zijn als ze ietsje zelfstandiger zouden zijn, mij iets meer ruimte gunden. Dus als ik weer advies kreeg, van hem of mijn oma of wie dan ook, glimlachte ik vriendelijk en zei ik: ‘ja, natuurlijk!’ Maar ik dacht: ‘yeah right’. Had ik het even mis. De tijd vliegt niet. De tijd raast. 

Kinderlijke onschuld

Bovenaan de trap hangt een grote portretfoto van mijn jongens: o zo klein nog, speels en ondeugend, hun karakters in hun ogen te lezen. Vertederd kijk ik ernaar, elke keer dat ik er voorbij loop. Ik kijk ernaar en ik denk terug aan de tijd dat ik hun alles was. Dat ze het liefst de hele dag om mijn nek hingen, zelfs als het zo heet was dat de mussen van het dak vielen. Dat ze me overal achterna liepen, om maar in mijn buurt te zijn. Dat ze geborgenheid zochten op mijn schoot als ze verdrietig waren. Dat niets ze gelukkiger maakte dan bij mij zijn. Had ik al die gebaren maar op waarde geschat toen het nog kon. Naar de wijze woorden van mijn vader geluisterd. Hij had gelijk, die tijd is voorbij gevlogen en komt nooit meer terug. 

Mijn jongens zijn nu 14 en bijna 17. De oudste heeft al een bijbaantje en staat te popelen om binnenkort een keer een nachtje alleen thuis te mogen blijven. Over het algemeen vegeteren ze op hun kamers, of zijn ze buiten met vrienden en laten ze zich alleen zien als ze trek hebben of iets van ons gedaan willen krijgen. Soms, als ze er zin in hebben, voeren we een leuk gesprek en in heel uitzonderlijke gevallen doen we samen een spelletje. Maar meestal zijn wij ouders meer een last dan een lust en is tijd met ons doorbrengen een offer.

In de zeldzame gevallen dat ik dus tegenwoordig een knuffel krijg, zo’n welgemeende, stevige kroel, zomaar uit het niets, geniet ik er met volle teugen van. Zie ik het als een onverwacht cadeautje. Want juist nu hun wereld uit allemaal andere belangrijke mensen bestaat, laat zo’n gemeende knuffel mijn hart gloeien. En ondertussen verkondig ik het cliché en vertel ik aan iedereen die het wil horen – en niet wil horen: geniet nu het nog kan, want de tijd vliegt en voor je het weet zijn ze groot.

Gezien worden

Het is weekend. Na een week van stevige vorst zoeken mijn vrienden en ik de vijver in de wijk op, binden de schaatsen onder en genieten van het geluid van de ijzers op het ijs, de warme chocomel die gratis wordt uitgedeeld en de herinneringen die het tafereel oproept aan vroeger, toen we praktisch elke winter konden schaatsen op natuurijs. 

Schaatsen op natuurijs in de wijk

Het is net als fietsen, dat schaatsen, je verleert het niet. Zodra ik het ijs op stap is het nog wat wiebelig, maar binnen de kortste keren gaat het weer als vanouds. Althans, de basis dan. Die kunstjes die ik vroeger kon, zoals pirouetjes draaien, mooie bochten achteruit schaatsen, op één been rijden, daar waag ik me beter niet meer aan. Ik ben al blij dat ik enigszins gracieus vooruit over het ijs kan glijden. 

Dat geldt niet voor mijn vriend D, die zodra hij op het ijs staat verandert in een (vindt hij zelf) stoere ijshockey schaatser. Hij haalt alles uit de kast en mijn vriendin en ik lachen er een beetje om. Niet om hoe hij schaatst, daar ben ik serieus van onder de indruk. Nee, we lachen om hoe graag hij dat wil laten zien. Hij is een man van vijftig, maar lijkt achter die stoere ijshockey façade bijna weer een onzekere tiener die wil horen hoe goed hij is. 

Later, als ik weer thuis ben denk ik er nog eens over na. Wat is dat toch, die continue drang naar bevestiging van D? Want het bijna vrágen om bevestiging blijft niet beperkt tot het schaatsen. Hij heeft dat wel vaker, dat willen delen hoe goed hij is of hoe goed hij dingen voor elkaar heeft. Ik lachte er vanmiddag om, maar hoe langer ik erover nadenk, hoe meer ik me afvraag of we dat niet allemaal in meer of mindere mate hebben.

Als ik eerlijk naar mezelf kijk, ben ik toch eigenlijk precies zo? Wil ik niet ook de bevestiging krijgen dat de maaltijd waar ik de hele middag op heb staan ploeteren heerlijk smaakt? Word ik er niet ook heel blij van als mijn reisgenootjes erkennen dat ik echt een tof hotel heb gevonden of een fijne route heb uitgestippeld? Wil ik niet ook horen dat ik zo’n zorgzame moeder ben? Dat het feestje dat ik voor mijn vaders 75e verjaardag georganiseerd heb niet beter had kunnen uitpakken? Dat de stukken die ik schrijf goed of vermakelijk zijn?  

Volgens een artikel dat ik over het onderwerp vond op Psychologie Magazine hebben we allemaal inderdaad behoefte aan erkenning. Mensen willen gezien en gewaardeerd worden. Of dat nou op het werk is, op school, als vriend, als partner, als ouder, als zoon of dochter. Mensen willen horen dat wie ze zijn en hetgeen ze doen ertoe doet. Het gekke is dat wij mensen, hoewel we dus graag erkenning van een ander willen ontvangen, zelf over het algemeen niet al te scheutig zijn met het geven ervan. We verwachten dus wel dat een ander ons vertelt dat we iets goed doen, en vragen er soms onbewust om, zoals D, maar zien blijkbaar over het hoofd dat de ander eenzelfde behoefte aan erkenning heeft.

Toen ik dat las moest ik direct denken aan mijn zolder. Het was er sinds onze verhuizing in 2006 een grote (georganiseerde) bende. Tot ik vorig jaar terugkwam van een reis naar Chili en manlief de boel onder handen bleek te hebben genomen. Het was onherkenbaar, zo netjes. Wat fijn! En toch, dat ene compliment dat ik hem gaf over zijn inspanningen werd al snel overschaduwd door gezeur over dingen die hij weg had gedaan of niet logisch had opgeborgen. Ik had hem natuurlijk ook gewoon kunnen erkennen in zijn inspanningen en de frustratie over dingen die onvindbaar waren voor mezelf houden…of in ieder geval bewaren voor later. Dat zou ik zelf ook fijn gevonden hebben, als ik hem was geweest. 

Iets vergelijkbaars geldt ook voor D op de schaats. Ik kan erom lachen, het sneu of overdreven vinden, me met mijn vriendin verwonderen over dat hij zo graag wil laten zien wat hij kan. Maar in de kern kost het mij weinig moeite om hem een gemeend compliment (ik was immers serieus onder de indruk) te geven over zijn schaatskunsten. Terwijl het hem de erkenning geeft waar hij zo naarstig naar verlangt! Misschien, als ik daar vaker in oefen, wordt het geven van erkenning voor mij net zoiets als fietsen: het gaat als vanzelf en je verleert het nooit.

Chileense gastvrijheid

Vandaag was het een jaar geleden dat ik met mijn twee friends-from-ever, Michèle en Marlies, een rondreis maakte door Chili en we aan den lijve ondervonden hoe onwaarschijnlijke gastvrijheid blijkbaar nog bestaat. 

Nadat we een paar dagen in het magnifieke woestijngebied van Chili hadden vertoefd, waren we naar Puerto Montt gevlogen om vanuit daar weer noordwaarts naar Santiago te rijden. Daar hadden we vijf dagen de tijd voor, genoeg om er een leuke roadtrip van te maken. We besloten via Puerto Varas, een schattig, toeristisch dorp aan een meer aan de voet van een vulkaan, verder noordwaarts te rijden en kilometers te maken.

Puerto Varas

Het meren- en vulkaan gebied rondom Pucón leek ons een toffe eerste bestemming. Dat lag op vier uur afstand, er was in het stadje zelf genoeg vertier en de omgeving bood voldoende opties om twee dagen door te brengen. Het vinden van een geschikte accommodatie bleek lastig, schijnbaar was het een populaire plek in deze tijd van het jaar. Maar tussen de weinige opties die nog beschikbaar waren, vonden we een leuk chalet, op een park niet al te ver van het centrum vandaan. 

Vanaf het moment dat we gereserveerd hadden, gebeurden er allerlei rare dingen, waardoor we een beetje unheimisch gevoel kregen over de accommodatie. Allereerst bleek dat de reservering pas bevestigd was, wanneer 50% van de kosten vooraf waren voldaan. Op zich geen gekke voorwaarde, behalve als je voor de dag zelf boekt. Na overleg met de Engelse eigenaresse kwamen we overeen dat ze een factuur via PayPal zou sturen, die ik direct kon betalen. Nu we ons dus echt van een plekje verzekerd hadden gingen we op pad. 

De route naar Puerto Varas was een grote groene haag van volle bomen in bloei, met op de achtergrond het uitzicht op de schitterende vulkaan met zijn besneeuwde top die ondanks dat we hem naderden, geen centimeter dichterbij leek te komen. Het dorpje zelf was een verademing om doorheen te struinen. Aan winkeltjes, restaurants en barretjes geen gebrek,  een schril contrast met het gebied waar we een dag eerder nog waren. 

Tijdens de lunch in een vrijwel verstopt, pittoresk, van rozenstruiken omgeven tuintje ontvingen we bericht van Alison, van de accommodatie. Ze was haar PayPal account wachtwoord kwijt en kon daardoor geen factuur sturen. Wederom een raar voorval, maar aangezien we ook haar akkoord hadden over de aankomsttijd, niet later dan elf uur ‘s avonds, niet te lang bij stilstaan. Vervolgens vertelde ze tussen neus en lippen door dat we cash moesten betalen. Nog iets waar we niet blij mee waren, dat zou ons zeker 10 dollar extra commissie kosten. Maar we hadden weinig keus en waren al onderweg, dus ook de cash regelden we. 

Het eerste deel van het traject verliep soepel. Pas toen we het laatste dorp naderden dat vóór onze eindbestemming lag, begon het verkeer drastisch toe te nemen en voor we het wisten reden we stapvoets in één lange colonne richting Pucón. Het was inmiddels al acht uur geweest, het zou niet lang meer duren of de zon zou plaatsmaken voor het donker van de bosrijke omgeving. Ondanks dat de route niet heel lang was geweest en voorspoedig was verlopen, begon de vermoeidheid toe te slaan. Gelukkig waren we nog slechts twintig minuten verwijderd van de eindbestemming, dertig misschien, als de file niet snel zou oplossen. Bijna tijd voor een wijntje!

Dachten we, want Alison had, terwijl we onderweg waren, even een WhatsAppje gestuurd dat ze onze boeking had geannuleerd, omdat er andere mensen waren gekomen. Na een heftige discussie was Alison om. We mochten toch komen. Dat dit tevens betekende dat ze die mensen die zogenaamd ter plekke betaald hadden, de deur moest wijzen, daar repte ze niet over. Waar het geld vandaan kwam leek haar dus niet te deren, als het maar binnen kwam. 

Hoewel het fijn was te weten dat we toch een plek hadden om te verblijven, wilden we er eigenlijk niet meer naartoe, maar hoeveel keus hadden we? Die ochtend was er al weinig beschikbaar geweest, dat zou nu alleen maar minder zijn.  Toch voelde het niet goed en ergens zouden we nog liever in de auto slapen dan dat we naar die bitch gingen. Waar we dan wel moesten slapen, er was immers niets meer, wisten we niet, maar in elk geval niet daar. 

WiFi met uitzicht

Omdat het bereik op de weg zeer te wensen over liet, besloten we bij het eerste hotel dat we tegenkwamen af te slaan, in de lobby een wijntje te bestellen en op die manier gebruik te maken van de WiFi, zodat we op zoek konden naar een slaapplek. Kansloos, in de wijde omtrek was elke accommodatie rood gekleurd. Het dichtstbijzijnde, beschikbare hotel lag op twee uur rijden. En het was inmiddels al negen uur geweest. De adembenemende schemering over het meer, waar de lobby uitzicht op had, zette snel door, het zou betekenen dat we in het aardedonker nog een aardige afstand zouden moeten overbruggen.

We hadden nog maar weinig fiducie dat we nog iets in of bij Pucón zouden vinden, dat zelfs de comfortabele sofa’s van de hotel lobby ons een goed alternatief leken. Niet dat we daarop zouden mogen crashen, maar toch. Bij toeval probeerden we een huisjes park dat we op AirBnb hadden gezien te bellen. Toen er werd opgenomen legde ik onze situatie uit, mezelf bij voorbaat verontschuldigend omdat ik het antwoord (we zijn vol) al wist. Mijn vraag moet doordrenkt zijn geweest van twijfel en hoop, want de vriendelijke dame aan de andere kant van de lijn was zelfs bereid mensen die onderweg waren om het laatste vrije huisje te bekijken weg te sturen. Na tien minuten werd mijn hoop echter de grond in geboord. De mensen waren naar het huisje komen kijken en wilden er graag verblijven. Het was een gezin met kinderen en een oude oma en de eigenaren konden het niet over hun hart verkrijgen om ze te weigeren. 

‘Maar ik weet iets anders. Mijn man en ik wonen ook op het terrein en hebben nog een logeerkamer in ons huis. Zoek maar niet meer verder, wij verhuizen naar het kleine tweepersoonsbed in de logeerkamer en dan kunnen jullie met zijn drieën in ons kingsize bed,’ zei ze. Ik legde vol ongeloof de telefoon neer. Het bestond niet dat iemand zoveel goedheid in zich had, om mensen die ze niet kende, haar eigen slaapkamer af te staan.

Het huisjes park van Danny en Myrta

Myrta en Danny ontvingen ons met open armen, leidden ons door het huis en wezen ons hun slaapkamer. Alsof dit ongelooflijke gebaar van goedheid niet voldoende was, vroeg Danny of we misschien trek hadden (uitgehongerd!). ‘Ik heb nog wat stukken vlees in de koelkast liggen,’ vertelde hij, ‘we kunnen verderop in de tuin de bbq aangooien, drankje en muziekje erbij en dan bouwen we een klein feestje. Misschien dat de andere gasten ook willen aanschuiven, we zien wel. Kom mee!’

Het werd een uitzonderlijke, onverwachte, gezellige avond, die tot in de vroege uurtjes doorging. Aangeschoten, van de wijn maar ook van de goedheid van deze mensen, praatten we in het grote kingsize bed nog even na, alvorens we in een diepe slaap vielen. We waren het erover eens. Dit was ongekend, het had werkelijk waar niet beter kunnen uitpakken. We stelden dat we die bitch dankbaar zouden moeten zijn dat ze ons had genaaid, met haar chalet. Want hoewel het kut was om zo gepiepeld te worden, had het ons alleen maar een toffe ervaring gebracht, om  nooit meer te vergeten.

Kruimels tellen

Ik ken weinig vrouwen die nog nooit hebben gedieet. Zelf heb ik de afgelopen 25 jaar heel wat geëxperimenteerd, met wisselend resultaat.

Nou heb ik de mazzel dat het bij mij vaak een kwestie is van een paar kilootjes. Het zijn net die twee centimeter waardoor mijn broek weer lekkerder zit of ik dat ene strakke jurkje toch weer aan kan. Maar of het nou gaat om die drie kilo van mij of die vijftien van een ander, wat we allemaal willen weten is: wat werkt echt? En in mijn geval ook nog: en hoe kun je toch blijven genieten?

Ik heb van alles geprobeerd. Alleen natuurlijke producten eten, dus geen koolhydraten uit brood, rijst en pasta’s, liever niets dierlijks en in plaats daarvan een overvloed aan groenten en fruit. Na achttien dagen mocht het resultaat er wezen, ik viel 3,5 kilo af, mijn huid straalde en ik voelde me goed. Maar je raadt het al, zodra ik klaar was, was ik ook echt klaar. Want hoewel ik er best inventief van werd in de keuken, was het niet wat je noemt zalig. Hoewel ik het nog redelijk lang heb volgehouden om geen alcohol te drinken, slopen het brood, de pasta’s en de biefstukjes dus met rasse schreden mijn leven binnen. En de centimeters daarna ook.

Een andere keer deed ik een radicale sap detox. Even kort afzien en snel resultaat boeken. Vijf dagen lang verruilde ik mijn maaltijden voor groenten- en fruitsappen. Het was moeilijk, maar te doen. Op dag 4 kreeg ik wel hongerklop en het water liep me al in de mond van het vooruitzicht spoedig weer mijn ontbijt shake (van havermelk, banaan, cacao, kokos en havervlokken) te mogen drinken. Het resultaat mocht er ook hier weer zijn, 3 kilo in vijf dagen. Dat was natuurlijk wel vooral vocht, wie hield ik voor de gek? De eerste dagen na de detox lette ik nog wel op, maar het mag geen verrassing zijn dat ik binnen no time weer terug bij af was.

Ook heb ik in extremis calorieën geteld om structureel onder de 1600 te blijven (vrouwen wordt gemiddeld 2000 geadviseerd) tot ik mijn streefgewicht zou bereiken. Ik telde elke kruimel die ik binnen kreeg. Dat zorgde ervoor dat ik wel twee keer nadacht als ik zin had in een frietje bij de Mac en dus bewuster koos voor calorie arme alternatieven. Erg vermoeiend, maar met resultaat. Voor het eerst in jaren was ik een tijdje op mijn ideale gewicht. Maar ook dit was op de lange duur niet vol te houden. Dus zodra ik stopte met tellen, omdat ik mijn doel had bereikt, kwamen ook mijn slechte gewoontes terug. 

Na vele malen afzien heb ik besloten dat een dieet volgen niet voor mij is. Ik hou van eten, ik ben dol op koolhydraten en ik vind de alternatieven (courgetti i.p.v. pasta, een salade i.p.v. brood) prima voor af en toe, maar absoluut geen structurele oplossing. En toch wil ik afvallen en slank blijven. Tegenstrijdig?

Nee! Ik denk nu mijn ultieme leefwijze (want het is geen dieet) te hebben gevonden. Doordeweeks maak ik bewuste keuzes en balanceer ik mijn voeding zo dat het voor 55% uit vetten, 30% uit koolhydraten en 15% uit eiwitten bestaat. ’s Avonds pasta? Dan ‘s middags geen brood. En in de weekenden ontzeg ik mezelf helemaal niets. Dan ontbijt ik gewoon mee met de croissantjes, eet ik bij de koffie een apfelstrudel met vanillesaus en drink ik gewoon mijn wijntjes. Deze modus werkt, want sinds eind november ben ik al 5 kilo kwijt. Eens, anders dan met die detox experimenten, is het droomresultaat een kwestie van een lange adem. Maar daardoor denk ik wel blijvend. En dat terwijl ik mijn bourgondische zelf niet verloochen. Win-win!

Iets

Toen mijn moeder, na de scheiding, met haar kinderen uit Mexico naar Nederland terugkeerde, was het klaar met mijn katholieke opvoeding. Van haar hoefde het niet zo, voor zover ik weet is zij zelf atheïstisch opgevoed. Dat zij zich liet dopen en meeging in het katholicisme deed ze alleen voor mijn vader. En misschien was ze anders door haar omgeving in Mexico ook niet geaccepteerd. 

Hoewel ze het katholicisme gedag zei, wilde toch op zoek naar ‘iets’ en in die zoektocht probeerde ze van alles. Eerst was er de Pinkstergemeente. Later zat ze in de fase die ik  ‘alles is liefde’ zal noemen. Nog later werd ze fervent aanhanger van de ideeën uit ‘The Secret’; het Universum dat werkt voor jou, je hoeft alleen maar te vragen en het vertrouwen hebben dat alles goedkomt. Dan zal dat ook zo zijn. 

Ze kan nog wel eens doorslaan, mijn moeder. Ze stort zich ergens in en grijpt dan elke mogelijkheid aan om haar omgeving te overtuigen dat ze de waarheid in pacht heeft. Meer dan eens heb ik me geërgerd aan haar obsessieve overtuigingsdrang. Zelfs bij een aardbei was ze in staat te zeggen dat een aardbei óók liefde is. Mijn broers, zus en ik maakten haar er zelfs een beetje belachelijk om, niet eens achter haar rug. 

In de fase erna, irriteerden ons haar goedbedoelde, maar o zo misplaatste adviezen. Had je een rotweek achter de rug, dan zei ze: ‘je hebt het zélf in de hand, je kíest er als het ware zelf voor om je rot te voelen.’ Het stoom kwam dan nog net niet uit mijn oren. Wat mij betreft was het allemaal zweverig gewauwel van mijn gekke moeder, waar ze me vooral niet mee moest lastig vallen.

Het kan verkeren. Hoe het zover is gekomen weet ik niet, het is geleidelijk gegaan, denk ik. Misschien  is het de leeftijd. Of wellicht heeft mijn bijna-burn out er iets mee te maken. Feit is dat ik tegenwoordig dagelijks tijd besteed aan dankbaarheid, aan affirmaties en aan een algehele positieve houding. Ik hoor mezelf zeggen: ‘nee hoor, het regent nooit op vrijdag als ik tennisles heb, ik heb een deal met het Universum,’ (want het regent echt nooit!). En ik constateer dat ik altijd een parkeerplek heb vlak bij de ingang, omdat ik dat nou eenmaal wil. Dan moet ik best wel gniffelen. Die gekke moeder van mij is misschien zo gek nog niet.

Emotie explosie

Ik stond in de keuken, wanhopig op zoek naar woorden die door die betonnen muur konden breken en tot haar doordringen. De lauwe kop koffie met havermelk hield ik onaangeroerd vast. Ik hield niet eens van melk in mijn koffie, maar ze had het al ingeschonken, ik kon het moeilijk meteen in de gootsteen leeggieten. 

Na wat ik als een afstandelijk telefoongesprek had ervaren, had ik besloten om toch maar een bezoek te brengen aan het nieuwe huis van mijn zus, waar ze al een paar weken aan het klussen waren. Ik had nog wat souvenirtjes voor ze uit Peru, die ik tijdens onze laatste lunch van vóór de Intelligente Lockdown was vergeten mee te nemen. Het zou een goede aanleiding zijn, dacht ik. 

Mijn moeder was enigszins verbaasd geweest me voor de deur aan te treffen. Ze vond het wel leuk, dacht ik, en tegelijkertijd miste ik iets van de hartelijkheid waar ik normaal gesproken op kon rekenen. Het gevoel dat ik aan de telefoon had overgehouden klopte dus. 

‘Kom je even binnen, een kopje koffie drinken?’ ze deed de deur iets verder open. 

Ik aarzelde. Mathijs en ik houden ons sinds het begin van de maatregelen netjes aan de adviezen. Bij iemand in huis op bezoek gaan voelde niet ok, ondanks dat het advies het ons niet verbiedt. Toch besloot ik dat het goed zou zijn me eroverheen te zetten en even binnen te komen.

‘Ga even opzij dan, dan kan ik erlangs.’ Het huis heeft slechts een klein halletje, er passen nauwelijks twee mensen, dus anderhalve meter afstand houden was onmogelijk zolang ze er zou blijven staan. 

Ze snoof. ‘Meen je dit nou?’

‘Je wil toch dat ik binnenkom? Dan moet je even ruimte maken.’

Wat ze daarna precies zei weet ik niet meer, ik zag er in elk geval wel de aanleiding in over het telefoongesprek te beginnen. ‘Ik had wel door dat je het me kwalijk neemt hoor, aan de telefoon…’

‘Ja ik ben boos!’ zei ze. ‘Boos dat mensen zich zo laten leiden door angst en zich van alles op de mouw laten spelden.’

‘Niet mensen mam. Je bent boos op mij, dat ik me aan de maatregelen houd.’ Ik deed mijn best mijn stem niet te verheffen en rustig te blijven, maar de frustratie en irritatie maakten zich hoe langer hoe meer van mij meester. 

Ze gaf het toe. Ze was boos op mij. En teleurgesteld, dat ik de waarheid niet wilde zien. Dat ik meeging met de hysterie. Dat ik angstig was. Dat ik niet de moeite nam de informatie die ze me toe speelde, waaruit ik de waarheid kon opmaken, te lezen. Dat ik er niet meer op reageerde. Het had haar verdriet gedaan, zei ze, dat ik haar niet binnen had gelaten toen ze voor de deur stond. Het deed haar verdriet dat ze haar kinderen niet kon knuffelen door die ‘rot regering’. 

Ze was liever boos dan dat ze naar andere manieren zocht om leuk en goed contact te onderhouden, was mijn conclusie. Ze wilde liever blijven hangen in het onrechtvaardige van de situatie, dan alle andere mooie, creatieve manieren waarop mensen nu voor sociale interactie zorgen, te omarmen. Het raakte me meer dan ik had gedacht. Ongewild liet ik me meeslepen in een heftige discussie over de waarheid van Corona. Háár waarheid over Corona, althans. Al mijn argumenten ten spijt, ze was onvermurwbaar, wilde nergens naar luisteren, had op alles wat ik zei een weerwoord. 

In de korte tijd dat ik binnen was, het zal niet langer dan een kwartier zijn geweest, was de sluimerende hoofdpijn waarmee ik was binnengekomen (een tekort aan koffie, nam ik aan), veranderd in een aaneengeregen gebonk dat mijn oren deed suizen. Ik had hier geen zin in, noch de energie voor. Met ferme pas, vast van plan een einde aan het bezoek te maken, liep ik naar de gootsteen en gooide alsnog het kopje leeg. 

‘Ik vind het toch niet zo lekker, met havermelk,’ zei ik, als antwoord op het schuldgevoel dat me vrijwel direct had bekropen. 

Zij bleef ondertussen doorratelen over 5G en de WHO die nu de macht had overgenomen en verplichte vaccinaties en Bill Gates. Ik trok het niet meer. ‘HOU OP! Hou gewoon op! Waarom wil je me zo graag jouw gitzwarte beeld van de wereld opdringen? Waarom wil je zo graag dat ik net als jij geloof in de slechtheid van de mens? Waarom gun je me niet gewoon mijn schijnbare onwetendheid?’ viel ik uit. Ik voelde hoe de rode vlekken zich over mijn gezicht en hals verspreidden, mijn wangen gloeiden.

Want dat was eigenlijk de hamvraag. Niet zozeer waarom zij persé wilde geloven in al haar theorieën. Dat is ieders goed recht, zoveel mensen zoveel meningen. De vraag was waarom ze een allesomvattende drang had om mij (en met mij vele anderen) van die zienswijze te overtuigen. Als ik in haar ogen ‘onwetend’ was, en in die onwetendheid gelukkig, waarom wilde ze mijn hoofd dat vullen met zorgen? Als ik binnen de beperkende omstandigheden een manier had gevonden om vriendschappen nog meer te koesteren, relaties nog beter te onderhouden, sociale contacten misschien zelfs te intensiveren, al was het maar digitaal, en me daarin tevreden en happy zag, waarom wilde ze me dat ontnemen, door haar wereldbeeld op te dringen? En bovenal, als ik een overtuigend vertrouwen had in de goedheid van de mens, een vertrouwen dat dit maar tijdelijk is, dat we hier als mensheid alleen maar van zullen leren en groeien, waarom wilde ze dat vermorzelen en vervangen door wantrouwen waar ik ’s nachts wakker van zou liggen? Waar was dat goed voor?

Ze had er niet echt een antwoord op. Misschien was ik toch in staat geweest om in elk geval díe boodschap over te brengen. Maar ik moest er weg, ik was leeg. Ze kwam dichterbij toen ze de tranen over mijn wangen zag rollen. Wilde me omhelzen, zag ik. Ondanks mijn anderhalve meter policy nam ik het aan, want ik vermoedde dat zij er ook behoefte aan had. 

‘Sorry,’ zei ze nog, ‘ik hoop dat jij gelijk krijgt.’ 

‘Ik ook.’ zei ik en liep toen de deur uit. 

Ik had nog een hele dag in het vooruitzicht, maar had geen energie meer over. Onderweg naar huis bekritiseerde ik mezelf om mijn actie om haar een bezoek te brengen. Wat een slecht idee was dat. Ik had immers al vooraf kunnen weten waar het heen zou gaan, ze zou nooit in staat zijn over koetjes en kalfjes te praten zolang dit onderwerp haar zo hoog zat. Hoe moesten we ooit nog normaal met elkaar omgaan, als het weer kon? 

Terwijl ik wachtte tot de koffiemolen zijn werk had gedaan, bedacht ik me dat het ergens toch ook wel voelde alsof er een last van mijn schouders was gevallen. Dat ik eindelijk in staat was geweest een weerwoord te geven had tot een niet al te prettige discussie geleid, maar het was nu in elk geval uit mijn systeem. Eindelijk, na weken opgekropte frustratie was ik het kwijt. Want hoewel ik in de tussentijd vaak zat mijn ongenoegen had geuit bij gelijkgestemden, voelde het, achteraf gezien, toch niet zo bevrijdend als tegen de hoofdpersoon zelf zeggen waar het op staat. 

Ik moest terug denken aan een reis die ik eerder had gemaakt. Er was toen een moment geweest waarop ik me afvroeg wanneer je, als onderdeel van een groep, stopt met geven en begint met nemen. Want de frustratie die ik al weken bij me droeg had weliswaar te maken met de huidige situatie, maar als ik eerlijk was, cijferde ik mezelf of liever gezegd mijn mening of mijn wensen al te vaak weg ten gunste van de ander. Ten gunste van de sfeer. Ten gunste van de groep. Dat deed ik, nu ik er zo over nadacht, vaker dan goed voor me was. Als de ander blij was, de sfeer goed was, de groep geen onenigheid had, dan was alles goed. 

Maar alles is niet goed als ik steeds woorden, gevoelens, wensen, verlangens, meningen en emoties wegstop, ondergeschikt maak aan die van een ander. Kun je werkelijk jezelf zijn als je bij elke discrepantie altijd toegeeft? Geniet je dan net zoveel als de ander van het moment? Groei je dan net zoveel als de ander groeit? Leef je dan net zo intens als degene aan wie je toegeeft? Ik dacht altijd van wel, dat ik juist blij werd van conflictmijdend gedrag. Want spanning en conflicten – hoe klein en onbeduidend ook, zelfs als ik er zelf niet actief in betrokken ben –  veroorzaken negatieve energie die zwaar op me leunt. 

Na vandaag denk ik er anders over. Ook op mijn woorden letten, op mijn tenen lopen, met iedereen rekening houden vergt veel negatieve energie. En het eruit gooien is niet leuk, maar lucht wel op. Misschien is het dus tijd dat ik voortaan mezelf op één zet. Dat betekent niet dat ik nooit meer, in het belang van de ander, de groep of de sfeer, mag toegeven. Het betekent wel dat ik er op zijn minst elke keer weer een weloverwogen beslissing van maak. Waarbij de gedachte “straks voelt de ander zich rot” of “straks wordt de ander boos” geen show-stopper meer mag zijn.